Korenmolens aan de Noordwestbinnensingel te Den Haag aan het eind van de achttiende eeuw

 

 

Energie en het molenbedrijf
Het malen met een windmolen
Korenmolenaar als beroep
De stoomkorenmolen van Cantillon
De mislukte innovatie: het kartel en de kostprijs
Latere stoomkorenmolens
De afschaffing van de accijns op het gemaal
De ‘moutture économique
De meelfabriek in Nederland
Een nieuw produkt
Meel en gezondheid
Molenbedrijf en meelfabriek

Energie en het molenbedrijf

Brood, hoofdbestanddeel van de dagelijkse voeding, werd in de eerste helft van de negentiende eeuw nog net zo bereid als eeuwen daarvoor, met de hand, met meel van plaatselijk graan dat in de dorps- of stadsmolen gemalen werd, met ingrediënten en volgens recepten die van streek tot streek verschilden en van generatie op generatie waren overgeleverd. Het molenbedrijf zoals dat tot het midden van de negentiende eeuw in Nederland voorkwam, was evenmin veranderd sinds de achttiende of zelfs zeventiende eeuw. Het graan werd fijngewreven tussen twee geruwde stenen. Op het platteland maalde de molenaar de graansoort die in zijn omgeving werd verbouwd. In enkele havensteden kwam ook graan uit overzeese streken bij de molenaars terecht.

Mensen, dieren, watermolens of windmolens zorgden voor de aandrijving. Windmolens domineerden. Hun aantal werd rond het midden van de negentiende eeuw ten behoeve van het malen en pellen van graan en boekweit geschat op 1800. Daar tegenover stonden 200 watermolens. Paardenmolens waren er ook in groten getale (1300), vooral voor het malen van boekweit. Verder werden ongeveer 400 handmolens officieel geregistreerd bij de uitoefening van een bedrijf. Stoom als de nieuwe energiebron was in deze periode in de statistiek nog slechts marginaal aanwezig. Wel vormde stoom de voorbode voor de grote veranderingen die zich in de daaropvolgende decennia voltrokken.

Drie belangrijke veranderingen hebben zich in de tweede helft van de negentiende eeuw voorgedaan. Het aantal stoommolens was rond 1890 toegenomen tot meer dan tweehonderd en er waren tientallen meelfabrieken. Het maalprocédé veranderde, wat meteen een nieuw produkt - bloem - opleverde. De broodvoorziening veranderde, samen met de prijs en de kwaliteit van dit zo belangrijke volksvoedsel.

Stoom had als symbool van een nieuw tijdperk de toekomst. Toch verliep de overgang naar de moderne graanmaalderij anders dan men zou verwachten. Wie denkt dat de negentiende eeuw het einde van het molenbedrijf betekent, heeft het mis. Integendeel, het aantal windkorenmolens groeide tussen 1850 en 1860 met ca. 12% en bleef daarna stabiel. De windkorenmolen wist zich met succes te handhaven. De kracht van het klassieke molenbedrijf is evenzeer het thema van dit hoofdstuk als de opkomst van stoom.

terug naar home

terug

 

Het malen met een windmolen

De oudste krachtbron om graan fijn te malen was de menselijke spierkracht. Nog in 1880 werden er in Nederland bedrijfjes door de belasting (de zogenaamde patentbelasting) aangeslagen voor het malen met handmolens. Daarnaast zullen er voor privégebruik nog vele handmolens in gebruik zijn geweest. Verbeterde versies verschenen in de negentiende eeuw regelmatig op de nationale en internationale tentoonstellingen. Bladen als De Volksvlijt besteedden er incidenteel aandacht aan. Handmolens maalden het graan doorgaans in grove stukjes met een onregelmatige grootte. Sommige typen waren in staat fijn meel voort te brengen. Zij deden in kwaliteit niet onder voor de andere methoden.

Grotere handmolens, waarvan de bediening door twee mannen een zware arbeid vormde, waren vaak ook geconstrueerd voor de aandrijving door paarden. Paardenaandrijving was in de maalderij een gebruikelijke methode; zij werd dan een rosmolen genoemd. Soms diende zij als hulpgemaal in het

 



Een handmolen voor het malen van graan uit het midden van de negentiende eeuw.



windmolenbedrijf voor de windstille dagen. Soms werd zij als zelfstandige produktie-eenheid ingezet voor de verwerking van kleine hoeveelheden graan. Zo verleende de provincie Zeeland in 1846 machtiging tot de plaatsing van dertien roskorenmolens ‘...de meeste op de hofsteden van landlieden, tot vermalen van graan voor eigen gebruik bestemd’. Bij het malen van graan kwamen rosmolens slechts op beperkte schaal voor. Zij vonden ruime toepassing bij het malen van boekweit. Voor het breken van boekweit was een gelijkmatige aandrijving noodzakelijk, waarvoor de windenergie zich niet leende. Waterenergie werd in Nederland eerder aangewend dan windenergie. Zij vond echter vanwege de geografische

molens voor het malen en pellen van graan en boekweit in 1850/1851, naar soort (schatting).

wind

1800

water

200

paarden

1300

hand

400

stoom

(ca. 30)

 

_____

Totaal

3700

Bron: Bescheiden betreffende de geldmiddelen, ‘Statistieke tabellen van het patentregt, over de dienstjaren 1850-1851’, tabel iii. De gegevens vereisten verdere bewerking om tot deze tabel te komen.

situatie op den duur aanzienlijk minder verspreiding, zeker in vergelijking met landen als Duitsland, Frankrijk, Engeland en Amerika. Watermolens kwamen hoofdzakelijk voor aan de beken en riviertjes in Limburg, Oost-Brabant, Oost-Gelderland, Twente en op de Veluwe, waar regelmatige wateraanvoer samenging met een voldoende verval.

Wind was in de graanmaalderij tot het midden van de negentiende eeuw verreweg de belangrijkste energiebron. Het is de reden waarom wij het windmolenbedrijf als uitgangspunt nemen voor de verdere analyse van de veranderingen die zich na 1850 voltrokken.

 

Het maalproces in een windmolen lijkt bij eerste beschouwing eenvoudig. De praktijk was echter anders, want het malen van de juiste kwaliteit meel vereiste een grote vaardigheid. Tussen twee horizontale stenen werden de graankorrels fijngemalen. De onderste steen - de ligger - lag onbeweeglijk en de bovenste - de loper - draaide, aangedreven door de molenas. Via een schuddebak of schoe, een houten bakje dat aan de kaar was opgehangen, regelde de molenaar de toevoer van het maalgoed naar de stenen (zie de afbeeldingen). Aan de voorzijde van de schoe was een ijzeren strip - de aanslag - bevestigd, die tegen het draaiende vierkante staakijzer tikte en daarmee de schoe liet schudden. De molenaar kon de helling van de schoe of de uitslag van de schudbeweging bijstellen en op die manier de toevoer van maalgoed veranderen. Er waren twee belangrijke aspekten aan het graanmalen waar de molenaar zijn aandacht op richtte: de molenstenen en de snelheid van de molen.

De molenstenen waren sinds het begin van de negentiende eeuw vaak uit het Noordfranse La Fertésous-Jouarre afkomstig, waar een heel geschikte, wat poreuze kwartssteen voorkwam. Zoals de afbeeldingen laten zien, zijn op de stenen groeven aangebracht. Een regelmatig terugkerend karwei was het scherpen van de stenen (naar het Franse rhabiller, opnieuw geschikt maken, ook het billen genoemd), dat wil zeggen het in de juiste vorm brengen van de uitslagen en de kerven van de steen. De kerven waren de ruggen of het hogere gedeelte van het maalvlak, waarmee het graan gesneden en fijngewreven werd, de uitslagen vormden het verdiepte gedeelte van het maalvlak. Bij een normale produktie geschiedde het scherpen eens in de twee à drie weken. De beste Noordfranse stenen konden ruim 40 werkdagen van 15 uur draaien voordat het scherpsel aan kwaliteit inboette. Het billen was tamelijk arbeidsintensief en kostte afhankelijk van de conditie van de steen een halve tot een hele werkdag. De vorm van het scherpsel hing af van hetgeen men wilde malen en van het soort maalstenen - tar-

Links:: Een rosmolen voor het malen van boekweit.


Onder: De molenaar voelt de fijnheid van het meel.

 


De windkorenmolen.

Windenergie werd in de windkorenmolen gebruikt om de bovenste van het koppel maalstenen - de loper - aan te drijven.

 Daarbij waren twee hoofdtypen molens te onderscheiden, namelijk de standerdmolen, waarvan de romp draaibaar is, en de bovenkruier met een vaststaande romp en een draaibare kap. In de bovenkruier, het meest voorkomende type, liep de koningsspil verticaal dwars door de molen en was aan de bovenzijde verbonden met de molenas en wieken, aan de onderzijde met het staakijzer en de loper. Het overbrengingsmechanisme aan de bovenzijde bestond uit een wiel om de molenas (het aswiel) waarvan de kammen grepen in de bonkelaar (of de wieg) om de koningsspil. Aan de onderzijde zat het spoorwiel om de koningsspil. De kammen van het spoorwiel grepen in het rondsel waarvan het staakijzer de spil vormde.

In een standerdmolen ontbrak de koningsspil en bijbehorende overbrengingsmechanismen en dreven de kammen van het aswiel direct het rondsel aan.
Staakijzer en molenrijn waren de belangrijkste koppelingsstukken tussen het rondsel en de loper. Het staakijzer had aan de voet een klauw die om de molenrijn greep. De molenrijn zat in het steenoog van de loper en kon met deze koppeling de loper in een draaiende beweging brengen.
De loper was omgeven door de houten steenkuip, die op zijn beurt rustte op een houten ring (het ringhout) waarin zich de onderste maalsteen (de ligger) bevond. Het geheel lag op een bedding van balken. Bovenop de steenkuip bevond zich het kaar die ruim een zak graan kon bevatten. Van hieruit viel het graan via de schuddebak (ofwel schoe) in het steengat van de loper en verdween tussen de malende stenen.
Met de schuddebak was het mogelijk de toevoer te regelen. Het gehele maalproces geschiedde in één doorgang, waarbij het graan gebroken en fijn gewreven werd. Het meel werd naar de buitenomtrek gedreven en meegevoerd naar de uitloop in het ringhout. Het viel vervolgens in de meelkoker, die voerde naar de meelbak op de maalzolder. Onder de meelbak hing een juten meelzak, waarin het meel werd opgevangen. De afbeelding is een doorsnede van een stadskorenmolen. Een bekend type molen op de hogere delen van ons land (vooral op de zandgronden) is de zogenaamde beltmolen. De omloop of balie en de daaronder gelegen zolders en woningen ontbraken bij deze molens. Zij waren gebouwd op een aarden belt of berg. Daarin bevonden zich meestal gemetselde ruimten voor de opslag van graan en meel
.




we vereiste een ander scherpsel dan rogge en het scherpsel van Franse stenen verschilde van dat van Duitse. Op een molen was voor ieder maalgoed een afzonderlijk koppel maalstenen. Als regel lagen er twee à drie koppels op de steenzolder, in stadsmolens kon dat oplopen tot zes. Als het nodig was, werd het koppel stenen enkele dagen uit bedrijf genomen en maalde de molenaar verder met een tweede stel dat hij in reserve hield.

Afhankelijk van het graan dat vermalen werd, moest de molenaar ook de afstand tussen de molenstenen veranderen. Er was een andere, uiterst belangrijke variabele die eveneens met de afstand te maken had, namelijk de draaisnelheid van de loper. Die moest zo gelijkmatig mogelijk zijn, want ze was van groot belang voor de meelkwaliteit en iedere meelsoort had zijn eigen optimale maalsnelheid. De krachtbron wind is zelden constant, zodat de molenaar altijd alert op snelheidsverandering was. Er waren twee mogelijkheden om de snelheid van de molensteen te regelen. In de eerste plaats door meer of minder zeil te voeren op de wieken. Deze mogelijkheid was tijdrovend, want de molen moest worden stilgezet. Hiermee kon dus niet gereageerd worden op vlagen of het wegvallen van de wind. Het snellere bijstellen gebeurde door de wrijving tussen de stenen te variëren. De wrijving hing af van de onderlinge afstand tussen de stenen en de toevoer van maalgoed. Bij kleine veranderingen in de windsnelheid was bijsturing door de molenaar niet nodig, aangezien de molen zich vanzelf aanpaste. Bij aanwakkerende wind nam immers de snel-


Een beltmolen in Gilze-Rijen.

 

 

 

 

Rechts : Vooraanzicht van de maalinrichting op de steenzolder, met het houten kaar waarin het graan werd gestort.
Het kaar had de vorm van een omgekeerde pyramide. De toevoer van maalgoed kon geregeld worden met de schoe die aan het kaar was opgehangen. De instelling van de schoe gebeurde met de twee touwen, de instelling van de stenen in de steenkuip geschiedde met de lichtboom die rechtsonder op de afbeelding te zien is
.

 

 

 

 

Rechts: De meelbak met de meelkoker op de maalzolder.
De twee touwen dienen voor de instelling van de schoe. Op de voorgrond het dikke touw met de gewichten om de stand van de lichtboom te regelen die de hoogte van de loper ten opzichte van de ligger bepaalde




.





 

 

  

Rechts:: Een opengelegd koppel stenen.
Merk op dat de spiraalrichting van de kerven van de loper tegengesteld is aan die van de ligger. De snijwerking van de kerven komt duidelijk tot uitdrukking in de tekening
.





 

 

 

 

 

 

Het interieur van de steenzolder in een korenmolen met een opengelegd koppel stenen. Links de steenkraan voor het openleggen van de stenen.


heid van het staakijzer en de schuddende beweging van de schoe toe. Er viel meer maalgoed tussen de stenen, zodat de loper een grotere weerstand ondervond, de draaisnelheid afgeremd werd en zich een nieuw evenwicht instelde. Bij afnemende wind werd een nieuw evenwicht bereikt door de geringere toevoer van maalgoed.

Bij grote veranderingen in de windsnelheid moest de molenaar zelf ingrijpen en bij onregelmatige wind had hij veel te regelen. Een te grote snelheid bij harde wind voorkwam hij door een vergroting van de graantoevoer via de schoe te combineren met een hogere maaldruk tussen de stenen, waartoe hij de loper iets liet zakken door middel van de lichtboom. De bediening van de schoe en de lichtboom kon eveneens gebeuren vanaf de maalzolder, met touwen nabij de meelkoker.

De molenaar hield zijn hand in het meel dat uit de meelkoker kwam en voelde de kwaliteit. Onderwijl luisterde hij naar het ‘zingen’ van de stenen en het tikken van de aanslag van de schoe, waaraan hij de draaisnelheid van de loper herkende. Maar ook deze wijze van snelheidsregelen had zijn grenzen, want men kon dan wel iets ‘remmen’ door een dikkere laag maalgoed, maar als die laag te dik werd, maalden de stenen niet goed meer.

 

Een dunne laag maalgoed, dus een heel geringe afstand tussen de stenen, was evenmin goed. Het risico was dat de toch al onvermijdelijke wrijvingswarmte te hoog werd. Dat gaf aan het meel een branderige geur en een donkerder kleur mee en beïnvloedde de bakkwaliteit. In het uiterste geval leidde de wrijvingswarmte tot brand - inderdaad het roemloos einde van een groot aantal windmolens. Vooral plotseling opstekende stormen konden maken dat de molenaar niet meer in staat was om zeil te minderen of via de stenen de molen tot stilstand te brengen; de molen sloeg dan op hol, en vervolgens raakte de constructie ontwricht, braken wieken af of ontstond brand door wrijving bij de stenen of elders in het houten overbrengingsmechanisme.

Het meel dat de molenaar leverde, was een mengsel van meel, de vermalen kern van de rogge- of tarwekorrel, en zemelen, de meegemalen schil die de kern omgeeft. Vooral door de aanwezigheid van die zemelen had het roggemeel altijd een donkerder aanzien, en was het deeg wat slap en slijmerig, zodat het brood nooit de luchtigheid van tarwebrood kon krijgen. Tarwemeel is van zichzelf lichter van kleur. Het werd zelfs nog lichter, en kon vrijwel wit worden, als de bakker de zemelen eruit zeefde.

De meelkwaliteit hing van zeer verschillende factoren af, onder andere van de graansoort en het land of de streek van herkomst van het graan. Zo had het meel van harde tarwesoorten een donkerder kleur, voelde scherper aan en was aromatischer dan die van de zachte tarwe. De tarwe van de Oostzeelanden werd meer gewaardeerd dan de Nederlandse en de Franse, maar op haar beurt overtroffen door de Amerikaanse tarwe die in de tweede helft van de negentiende eeuw in grote hoeveelheden Nederland binnenstroomde. Behalve de verschillen tussen rogge en tarwe, waar we verderop op zullen terugkomen, leverde elke soort rogge en tarwe een meel met andere bakkwaliteiten. Vooral de hoeveelheid gluten speelde daarin een belangrijke rol, maar over de eigenschappen van verschillende meelsoorten was omstreeks 1860 nog weinig bekend.

 

Korenmolenaar als beroep

Het ambacht

Het malen van graan was een ambachtelijke activiteit. Het vereiste vaardigheden die de korenmolenaar verwierf door jarenlange oefening in de praktijk. In vele gevallen ging het bedrijf over op de zoon van de molenaar, die tevens als leermeester optrad. Nederland kende talrijke geslachten waarin het ambacht van korenmolenaar werd voortgezet, soms tot ver in de twintigste eeuw. De molen was gepacht of eigen bezit, eventueel samen met een compagnon. Het bedrijf was een typisch kleinbedrijf. De molenaar werd bijgestaan door één of enkele knechts. Stond hij er alleen voor, dan werkte zijn vrouw mee.

Het kleinbedrijf maakte een verregaande opsplitsing van taken niet mogelijk. De molenaar vervulde derhalve naast het malen van graan vele andere taken. Zo behoorde ook het onderhoud van de molen tot zijn werk. Kortom, de molenaar behoorde vaardig te zijn in houtbewerking. Hamers, beitels, een zaag, een fijne houtvijl, een duimstok en enkele andere gereedschappen vond men op iedere molen. De molenaar deed zoveel mogelijk zelf. Alleen voor het grote herstelwerk werd de molenmaker ingeschakeld.

Handleidingen met precieze aanduidingen van technische details van molens en werktuigen, met richtlijnen omtrent maalsnelheid, temperatuur en verschillende meelkwaliteiten bestonden niet in Nederland, in tegenstelling tot veel andere landen. De overdracht van de nodige kennis op de nieuweling in het vak vond in de praktijk plaats.

Korenmolenaars in de steden waren tot het eind van de achttiende eeuw in een gilde georganiseerd. De toelating tot het beroep en de beroepsuitoefening waren daarmee gereglementeerd. Er golden onder meer strenge afspraken omtrent de inrichting van het bedrijf, de dienstverlening aan de klant, het maalloon en de tijden waarop het bedrijf mocht worden uitgeoefend. De voorschriften scheidden het beroep ook scherp af van andere beroepen. Korenmolenaars mochten bijvoorbeeld niet in meel handelen of brood bakken. Dit betekende dat zij alleen in opdracht tegen een vastgesteld loon maalden. Het was verboden om klanten te werven door speciale diensten te verlenen of klanten te bevoordelen die meer betaalden. De molenaar moest het graan malen in de volgorde van aankomst: ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’. Indien het meel slecht gemalen was, kon de molenaar beboet worden en moest hij het meel vergoeden.

De gildevoorschriften beperkten de onderlinge concurrentie en de concurrentie van buitenstaanders.

De gildeorganisatie beschermde de gildebroeders en hun gezin tegen de gevolgen van tegenslag, ziekte en de zorgen van de ouderdom. Zij garandeerde in principe ook de kwaliteit van de dienstverlening aan de klant.

Het einde van de oude Republiek in 1795 bracht de opheffing van het gildewezen. Gilden waren in strijd met de verkondigde vrijheid van beroep en bedrijf. Afschaffing volgde na herhaaldelijk debat in 1798 en 1808 en werd bevestigd door Koning Willem I in 1818. Daarmee verdween eveneens een ander oud recht, namelijk de molendwang. Dit was het recht om van de inwoners in een bepaald gebied te eisen dat zij hun graan nergens anders mochten laten malen dan op een bepaalde molen en tegen een vastgesteld maalloon. De molendwang kwam in vele streken en steden voor, hoewel niet overal. De korenmolenaars verloren met het molenaarsgilde en de molendwang hun sterke monopoliepositie. Iedereen kon in principe een korenmaalderij beginnen. Hij had daarvoor weliswaar een vergunning nodig, maar die kon hem niet geweigerd worden op grond van concurrentie-overwegingen. De burger en de boer waren verder vrij hun graan daar te laten malen waar zij dat wensten. In de negentiende eeuw klaagden korenmolenaars regelmatig over de te grote concurrentie en drongen zij bij de plaatselijke overheid aan op beschermende maatregelen, zoals het weigeren van vergunningen aan nieuwkomers of het dwingen van bakkers hun graan in de stad te malen. Ook trachtten zij nieuwkomers tegen te werken door bijvoorbeeld hen uit te sluiten van samenwerking en onderlinge steunverlening. De korenmolenaar was in vele streken in Nederland een burger met aanzien, met enige goede wil de plaatselijke industrieel te noemen en samen met de geestelijke, de burgemeester en de brouwer tot de notabelen van een stadje of dorp behorend. De maatschappelijke positie van de korenmolenaar was echter onder druk komen te staan. De afschaffing van de gilden had gezorgd voor een toenemende concurrentie. Dat was vooral merkbaar in de steden waar veel korenmolens waren, zoals Amsterdam dat ruim dertig molens op het stedelijk grondgebied had en nog een ruim aantal in de directe omgeving. Drie Amsterdamse molenaars die het stadsbestuur vroegen om maatregelen tegen de bovenmatige concurrentie in de graanmaalderij, merkten op dat ‘hoe groot in aanzien het te vaak met een afgunstig oog beschouwde bedrijf van korenmolenaar zich aan sommigen moge voordoen, het in zichzelve altoos een kostbaar, maar gering en aan vele onaangenaamheden onderworpen bedrijfis...

 

’Om wilde concurrentie te voorkomen, bleef de samenwerking tussen de Amsterdamse korenmolenaars in een andere gedaante gewoon voortbestaan. De gildekeuren waren vervangen door een overeenkomst ‘tusschen de eigenaars en bemaalders van de korenmolens te Amsterdam.....met het doel om misbruiken te weren en den onderlingen naijver te bepalen to eene eerlijke mededinging’.Het maalloon werd in onderling overleg vastgesteld en bij alle bakkers en andere opdrachtsgevers centraal geïnd door een ontvanger, zodat ontduiking van het afgesproken tarief door individuele molenaars onmogelijk was. Een belangrijk deel van het maalloon ontving de molenaar die het betreffende meel gemalen had, niet terug. Het verdween in een centrale kas die regelmatig gelijk over de leden (molensgewijs) verdeeld werd. Het resultaat was uiteindelijk een forse nivellering van de inkomsten van de molenaars. Zonder de herverdeling zou de rijkste molenaar meer dan dertien maal zoveel verdiend hebben als de armste; door de herverdeling nam het verschil af tot minder dan het drievoudige.

Kortom, de Amsterdamse graanmaalderij werd beheerst door een kartel. De samenwerking kreeg ook vorm in een bestuur, in een weduwen- en begrafenisfonds, in onderlinge bijstand bij rampspoed (bijvoorbeeld brand), in bepalingen waaraan knechten moesten voldoen, en dergelijke. Molenaars van buiten de stad waren de belangrijkste concurrenten voor de komst van de stoomkorenmolenaars. Het kartel slaagde er echter iedere keer weer in, gedeeltelijk in samenwerking met het stadsbestuur, deze concurrentie effectief uit te schakelen.

 

De molenaar, het graan en de bakker

De molenaar was dan misschien wel enigszins ‘notabel’, maar zijn positie wekte ook jaloezie op. Sommigen zagen hem als de slimme ambachtsman die via list en bedrog aan zijn profijt kwam. Een bron van irritatie was de merkwaardige monopoliepositie die hij had ten opzichte van zijn leveranciers en afnemers. De boeren als graanleveranciers hadden op het platteland weinig keuze bij welke molen ze hun rogge of tarwe zouden laten malen. Als er op korte afstand echter meer molens waren, probeerden de molenaars via onderlinge afspraken het maalloon hoog te houden, een praktijk die ook in de steden gangbaar was. De molenaar haalde zijn inkomsten uit het maalloon. De hoogte daarvan verschilde van plaats tot plaats en werd soms in geld, meestal in een percentage van het vermalen graan uitgedrukt. Uit elke zak graan die aan de molen kwam, haalde de molenaar met een speciale maatschep de hoeveelheid die hem toekwam. Hij ging daarbij zeker niet altijd nauwkeurig te werk en liet soms ook ‘zijn mouw meescheppen’. De volksmond sprak nogal eens kwaad over de korenmolenaar, zoals in het volgende Brabantse versje:

 

Mulder, mulder korendief

 

Grote zakken heeft hij lief

 

De kleintjes wil hij niet malen

 

Daar kan hij niet genoeg uit halen’.

Ten opzichte van de bakkers had de molenaar eveneens een onaantastbare positie. De hele meelhandel was strak bij de wet geregeld: molenaars mochten niet in meel handelen en bakkers mochten niet malen. Voor al zijn meel ging de bakker dus met graan uit eigen voorraad naar een molenaar om er, na betaling van maalloon, het meel weer in ontvangst te nemen. Hij moest dat meel meteen weer mee naar de bakkerij nemen, want de molenaar mocht nooit meel in zijn molen hebben. Omdat het meel maar enkele dagen houdbaar was, moest de bakker elke keer weer naar de molen om een kleine portie graan te laten malen. Ook op het platteland, waar de boeren veelal hun eigen brood bakten, golden deze regels.

 

Ondanks zijn uitzonderlijke positie, kon de molenaar nooit rijk worden. Het maalloon was zijn enige verdienste, en dat poogde hij door afspraken met andere molenaars veilig te stellen. In vele gevallen had de molenaar naast zijn maalbedrijf nog andere aktiviteiten. Hij hield een herberg, had een winkeltje, bezat een stukje grond of hield enig vee.

 

De molenaar en de ambtenaar

Blijkens het voorgaande was er veel wat de molenaar niet mocht. Daar stond tegenover dat hij wettelijk tot veel verplicht was. De overheid, die dit alles wettelijk had vastgelegd, stelde bij alle molens ambtenaren aan om de naleving te controleren. De oorzaak van de reglementering van het korenmolenaarsberoep lag in de zogenaamde accijns op het gemaal, een belasting op meel. Een dergelijke belasting had al voor de negentiende eeuw bestaan in plaatselijke verordeningen. De wetsherzieningen van 1813 en daarna hadden plaatselijke accijnzen in wetten ondergebracht, die voor het hele koninkrijk golden. Kritiek op het feit dat zij de eerste levensbehoefte belastten, leidde in 1816 tot hun opheffing. In 1822 werd de accijns op het gemaal opnieuw ingevoerd, nu aangeprezen vanwege haar gevoeligheid voor welstandsverschillen. Immers, tarwe, het voedselbestanddeel van de welgestelden, was aanzienlijk hoger belast dan de rogge, dat het voedsel van de minder gegoeden vormde. De accijnsregeling en de controle op de molenaars werden verder aangescherpt in 1833, vooral om fraude te voorkomen. Over elke kilo rogge- of tarwemeel werd belasting geheven en de overheid zag er op toe dat niemand maalde zonder toestemming. Zelfs het hebben van een eenvoudig handmaaltoestel op boerderijen voor het grof malen van beestenvoer, was verboden. Een handige boer kon immers zo'n werktuig ook geschikt maken om er graan zo fijn mee te malen, dat hij er brood van kon bakken.

Al sinds 1822 was het de korenmolenaar verboden:

-

meelhandelaar te zijn;

-

andere granen dan rogge en tarwe te malen, tenzij met toestemming van de Minister van Financiën;

-

een graanvoorraad binnen zijn molen aan te houden;

-

's nachts te malen zonder toestemming;

-

meel dat al eens gemalen was, te hermalen zodat het fijner werd;

-

meel te zuiveren: het moest zoals het van de molenstenen kwam, worden afgevoerd. De bakker moest zelf met een zeef of buil het meel van de zemelen scheiden.

Om elke vorm van belasting ontduiking te voorkomen, moest de molenaar:

-

altijd een ambtenaar toelaten op zijn molen als er gemalen werd;

-

zijn maalloon in het bijzijn van een ambtenaar in een aparte kist deponeren, een kist met twee verschillende sloten, waarvan één sleutel berustte bij de ontvanger der direkte belastingen ter plaatse, de andere bij de molenaar;

-

van elke zak aangevoerd graan aantekening houden;

-

elke zak graan afzonderlijk uitstorten en vermalen, zodat duidelijk was welke zak meel van welke zak graan afkomstig was;

-

elke zak meel afzonderlijk administreren, onder opgave van de hoedanigheid;

-

enkele uren van tevoren aanmelden dat hij ging malen.

Korenmolenaars waren verplicht exacte opgaven te doen van de ligging van de molen, de schuren, de loodsen en de woningen van het eigen gezin en de knechts. Bij een eventuele huiszoeking moest de belastingambtenaar inzicht hebben in mogelijke bergplaatsen en in mogelijke smokkelroutes van graan waarover geen belasting was betaald. Aanvragen voor nieuwe molens moesten derhalve ter beoordeling op fraude-mogelijkheden met tekeningen voorgelegd worden aan het Rijk. Het bedrijf mocht bijvoorbeeld niet grenzen aan een bakkerij of meelhandel. Graan voor bemesting of veevoeding, waarover geen belasting behoefde te worden betaald, werd gemengd met zand om het ongeschikt te maken voor menselijk consumptie.

Behalve op de gemoedsrust van de molenaar, had deze wetgeving ook effecten op de hele bedrijfsvoering. Een grootschalige produktie was zo goed als onmogelijk, want het graan moest zak voor zak zijn weg door de molen gaan. Door het verbod om meel te zuiveren, was het meel nooit lang houdbaar en voor de molenaar was er geen reden om zijn werkwijze te verbeteren: het mocht niet en zelf werd hij niet rijker van extra mooi en dus duurder meel, want hij mocht er niet in handelen.

Toch werd op die gronden door de molenaars hoegenaamd niet geprotesteerd tegen de accijnswet.

Hun grootste grieven waren die van de spiedende ambtenaren en het feit dat zij voor werkelijk alles formulieren, soms in tweevoud, moesten laten invullen. Overigens was de precieze papieren afwerking een zaak voor de ambtenaren, wat goed uitkwam voor de vele molenaars die niet konden lezen of schrijven.

 

terug naar home

 terug

 


Website van en voor Molenaars van Het Hert | Deze site is gemaakt met Webklik.nl